Techniek & Tactiek

TECHNIEK

Basistechniek
Werptechnieken
Trainingsoefeningen
 

TACTIEK

Het terrein
De speelafstand
Plaatsen of schieten

Techniek

Pétanque is een spel van concentratie, tactiek en techniek.

Het aspect techniek is voor alle nieuwe spelers vooral in het begin het allerbelangrijkste. Nieuwe spelers die de techniek nog niet beheersen, krijgen dikwijls goed bedoelde adviezen van anderen. Goed bedoelde, maar ook vaak slechte- of verkeerde adviezen.

Het is belangrijk dat je vooral in het begin veel zorg en aandacht besteedt aan je manier van spelen. Want is er na verloop van tijd een foutieve manier van spelen ingeslopen, dan zal het moeilijk zijn om dit weer kwijt te raken. Alleen met de nodige inspanning en trainingsarbeid zal dit weer gecorrigeerd kunnen worden.

We hopen met dit stukje over basistechniek te bereiken dat nieuwe spelers hiermee enig inzicht krijgen in de techniek van het pétanque en het spel op de juiste manier zullen aanleren.

De beste methode om het goed te leren is natuurlijk door onmiddellijk een trainingscursus te volgen. Bedenk dat de ideale techniek niet bestaat, maar dat een beweging wel omschreven kan worden als zijnde het meest logische, het meest natuurlijke. Dus ga in principe uit van de omschreven techniek.

Iedereen zal uiteindelijk wel zijn eigen stijl ontwikkelen, maar dit is dan een persoonlijke interpretatie van de techniek en is voornamelijk afhankelijk van lichaamsbouw.

 

Basistechniek

Basishouding

Voetenstand en beenhouding

 

De voeten staan kort bij elkaar, waarbij voor rechtshandigen de rechtervoet in de werp- richting staat en voor linkshandigen de linkervoet.

Bij staand plaatsen is het erg belangrijk dat de benen iets gebogen blijven waardoor de spieren actief zijn. Als de worp ondersteuning vraagt van de beenspieren, dan zullen ze ook mobiel moeten zijn.

Het overstrekken van de beenspieren is sterk af te raden, de gewrichten en de kniebanden worden onnatuurlijk zwaar belast en blessures kunnen het gevolg zijn.

Wanneer we gehurkt plaatsen, dan balanceren we op de ballen van de voeten.

Bij gehurkt plaatsen rust het achterste op de hielen, daarbij blijft de romp rechtop. Het lichaam rust nu op het knie- en enkelgewricht. Rust het lichaam niet op deze gewrichten, dan zijn de bovenbenen gespannen en is de zit uiterst wankel. De spieren zullen gaan trillen doordat zij constant te gespannen zijn.

In het algemeen komen de volgende fouten komen het meest voor:

Bij staand spelen is de meest gemaakte fout overstrekking van één of twee benen. Het gevolg is:

Bij gehurkt spelen staan de bovenbenen onder grote spanning als bijvoorbeeld de spieren te kort zijn. Het gevolg is:

Romphouding

De romp dient tijdens de worp nagenoeg rechtop te blijven. Dit geldt zowel voor staand als voor het gehurkt plaatsen.

De armzwaai, eventueel ondersteund door de benen moet voldoende mogelijkheden bieden voor een goede uitvoering van deze techniek.

Wanneer men toch geneigd is ver voorover te buigen, dan is dit dikwijls het gevolg van het ontbreken van voldoende kracht. De armzwaai is dan mogelijk te kort en/of er ontbreekt een harmonische beweging.

De kracht die in feite moet komen uit de armzwaai, eventueel ondersteund door de benen probeert men dan te compenseren door gebruik te maken van de rug. Onnodig om te zeggen dat dit slecht voor de rug is. Het resultaat is vaak een stugge ongecontroleerde worp.

 

Voor- en achterzwaai van de werparm

Het voltooien van deze pendelbeweging zonder een abrupte stop in deze beweging en souplesse aan het geheel zijn dus essentieel voor een goed resultaat.

Balafwikkeling

Balansarm

Om het lichaam goed in evenwicht te houden moet de andere arm, de zogenaamde balansarm deel uitmaken van deze beweging.

In de achterzwaai moet de balansarm gelijktijdig met de werparm deze achterwaartse beweging volgen. Het vervolg van deze beweging wordt door een reflexmatige beweging van het lichaam aangegeven.

Gebruik deze arm voor het evenwicht, eventueel als men dit prettig vindt met één boule in de andere hand. Laat deze arm in ieder geval niet stijf langs het lichaam hangen.

Balvoering

Pétanque is een techniek-sport waarbij het gevoel voor precisie en het gevoelsmatig aspect bij elke worp belangrijk is.

Veel gemaakte fouten zijn:

 

Werptechnieken

Worpen voor pointeurs

Zowel bij het staand als bij het gehurkt plaatsen is de beweging hetzelfde, slechts de houding van de benen is verschillend. De uitgangshouding is als volgt:

Het belangrijkste van de beweging is dat deze harmonisch is. Alle onderdelen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn, zodat de worp één vloeiende beweging is.

De achterzwaai moet zo ruim mogelijk zijn. Ook in de voorzwaai (uitzwaai) moet de arm de beweging voltooien. Er mag geen abrupte stop in de beweging zitten.

Deze uitzwaai brengt de arm tot voorbij de horizontale lijn. De romp moet tijdens deze beweging nagenoeg rechtop blijven.

In de voor- c.q.achterzwaai draaien de schouders in, (in de richting van de werparm). Bij een rechtshandige speler zal dus de rechter schouder, in de uitzwaai ten opzichte van de linkerschouder naar voren komen.

De beweging is als volgt:

Aan het eind van de achterzwaai is de pols naar de binnenkant van de arm gebogen. Tijdens de zwaai corrigeert de balansarm het evenwicht.

Naast de uitgangshouding is ook de keuze van de worp belangrijk, spelen we hoog of spelen we laag of daar tussenin?

Er zijn grofweg drie manieren om te plaatsen.

  1. Rollende bal plaatsen
  2. Halfhoge bal gooien (demi- of halfhoge portée)
  3. Hoge bal gooien (portée-complête of volledige portée)

Rollende bal plaatsen
De bal wordt bij deze worp gehurkt of half voorovergebogen gespeeld. Bij het rollen raakt de bal binnen een afstand van 2 tot 5 meter van de werpcirkel de grond (op de donnée), waarna de bal zo dicht mogelijk naar het butje rolt. Voor deze worp is het belangrijk dat de baan goed bekeken wordt, daar er veel onregelmatigheden op de baan kunnen voorkomen.

Halfhoge bal gooien (demi-porté)
Bij de lage gooi wordt de bal met een boog gegooid zodat de bal halverwege de werpcirkel en het butje de grond (op de donnée) raakt. Hoe hoger je de bal gooit, hoe korter de bal zal uitrollen. Het uitrollen wordt ook bepaald door de bodemgesteldheid. Bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrold) belangrijk.

Hoge bal gooien (porté)
Bij een hoge gooi wordt de boule zeer hoog in de lucht gegooid zodat de bal bijna verticaal naar beneden valt. De bal raakt de grond (op de donnée) op minder dan 1 meter van het butje. Ook bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrold), vooral bij harde ondergrond, belangrijk.

 

Worpen voor tireurs

Het schieten, meestal tireren genoemd is ook een basistechniek. Tireren is spectaculair maar vraagt opperste concentratie, vaardigheid en kracht. De beste tireurs zijn echter niet diegenen die het hardst gooien. Het doel van tireren is het raken van de goed geplaatste bal van de tegenstander, zodat deze weggespeeld wordt.

De tireerbeweging moet soepel verlopen en het is een samenspel van een aantal factoren zoals lenigheid, coördinatie, behendigheid, kracht en snelheid.

De uitgangshouding komt overeen met die van het staand plaatsen, slechts de romphouding verschilt, deze is iets meer gebogen. Ook de beweging is vrijwel gelijk, hier ligt het enige verschil in het gebruik van de pols. De pols wordt bij het schieten minder gebogen.

Bij het tireren is nog meer dan bij het plaatsen een harmonische beweging van belang. Een heel geringe afwijking immers leidt al tot een misser, terwijl bij het plaatsen een afwijking van enkele centimeters een goede bal tot gevolg kan hebben.

Naast het schieten van ijzer op ijzer is er ook nog het schieten over de grond. Deze uitvoering is vooral geschikt voor zeer gladde terreinen en kan uitermate effectief zijn. Na een raak schot blijft je eigen bal vaak dicht in de buurt. Er kunnen vaak makkelijk meerdere boules tegelijk worden weggeschoten. Dit laatste voordeel is meteen ook het nadeel, het is een zeer destructieve techniek waarbij een zorgvuldig opgebouwde situatie totaal verstoord kan worden. De kans op klossen (ballen die tegen elkaar aanspringen) is zeer groot. Daarom moet je het zien als een uitbreiding op, en niet als een vervanging van het schieten op ijzer. Je moet het alleen gebruiken als er sprake is van balvoordeel.

Net als bij pointeren zijn er verschillende manieren om te schieten.

  1. Schieten over de grond
    • Slepend schieten
    • Indirect schieten
  2. Schieten op ijzer

Slepend schieten (lang over de grond)
Bij dit schot wordt de bal zo krachtig mogelijk gespeeld, waarbij de boule 3 tot 4 meter voor het doel de grond raakt. Het grote nadeel van dit schot is dat de speelbal alle onregelmatigheden van het terrein tegenkomt, waardoor er minder contole is. Het resultaat is dus zeker niet voorspelbaar.

Indirect schieten (kort over de grond)
Een van de meest voorkomende redenen dat tireurs de boule van de tegenstander missen is dat de boule over de tegenstander heen springt (met name bij harde banen). Om dit te voorkomen kan men het beste kort schieten. Laat de boule 20 tot 30 cm. landen voor de boule van de tegenstander. De aanvallende boule rolt door en ketst de tegenstander weg. Deze worp is alleen geschikt voor zanderig en vlak terrein. Zelfs het kleinste steentje kan er voor zorgen dat men het doel mist.

IJzer op ijzer schieten
Dit type schot wordt voornamelijk gebruikt op onregelmatig terrein. De bal van de tegenstander moet men recht in het midden raken, een schot op het ijzer dus. Dit is het moeilijkste schot, dat veel nauwkeurigheid vereist. De boule moet de tegenstander raken zonder de grond te raken. Het perfecte schot noemt men een "carreau".

 

Trainingsoefeningen

Trainingsoefeningen voor pointeurs

Balans van de speler
Plaats de boule 3 tot 4 meter van de werpcirkel. Probeer de boule te raken vanuit een gehurkte positie. Het doel van deze oefening is om, in een gehurkte positie, uw balans en stabiliteit te verbeteren. Vanuit gehurkte positie zijn oneffenheden in de baan makkelijker te ontdekken. Deze positie wordt vaak bij harde banen toegepast.

Landingsplaats (Donnée)
Teken een aantal kleine cirkels met een diameter van 10 tot 15 cm op verschillende afstanden van de werpcirkel (een paar ronde matjes van vloerbedekking werkt ook erg gemakkelijk en is erg duidelijk). Gooi dan vanuit gehurkte of staande positie de boule zodat hij in 1 van de cirkels land. Het is mogelijk om zo de hoge en de lage gooi te oefenen.

Doel
Markeer een punt op de baan op 8 tot 9 meter van de werpcirkel. Teken rondom het doel 5 cirkels, zodat er een soort van dartboard ontstaat. Iedere cirkel krijgt een aantal punten. Maak een serie van bijvoorbeeld 5 worpen en kijk of je je score dagelijks kunt verbeteren

Effect
Deze oefening helpt om het effect dat aan een bal gegeven wordt te controleren. Teken een kleine cirkel op 3 tot 4 meter van de werpcirkel. Teken een rechte lijn rechts en links van de cirkel. Laat de bal in de cirkel landen, maar geef de boule een zodanig effect dat als de boule de grond raakt hij naar en over de vooraf gekozen lijn rolt. De stand van de werphand is belangrijk. Voor rechtshandige geldt:

  • Hand neutraal - bal recht vooruit
  • Naar buiten gedraaid - linksom effect
  • Naar binnen gedraaid - rechtsom effect



Trainingsoefeningen voor tireurs

Schieten
Oefen het schieten op een boule die steeds verder van de werpcirkel ligt (max. 10 meter). Begin daarbij op ongeveer 4 meter afstand. Vervolgens kan de oefening bemoeilijkt worden door een butje te gebruiken in plaats van de boule.

Een andere oefening is om de te schieten boule op een verhoging te leggen, bijvoorbeeld een rol tapijt of een boomstam. Met deze oefening dwing je jezelf om je arm hoog op te tillen en niet kort te schieten. M.a.w. ijzer op ijzer.

De naastliggende boule tireren
Deze oefening is bedoeld om het richten te verbeteren. Plaats 2 of 3 boules, liggend naast elkaar, met 1 boule ruimte ertussen, op 4 à 5 meter van de werpcirkel. Probeer nu de linkse, middelste of rechtse boule te tireren zonder de andere boules te raken. Bouw de lengte langzaam op tot 10 meter.

De achterste boule tireren
Deze oefening vergt veel van de speler zijn precisie. Plaats 2 boules, liggend achter elkaar, met 2 boules ruimte ertussen, op 8 à 9 meter van de werpcirkel. Probeer nu de achterste boule te tireren zonder de voorste boule te raken.

Er kan ook met 3 boules geoefend worden. Probeer dan de middelste of de achterste te raken.

Carreau
Bij tireren is het belangrijk dat u carreau kunt schieten omdat u dan geen hinder van het terrein hebt. De volgende oefening helpt hierbij: Leg de te tireren boule op de grond en teken er een cirkel met een diameter van 50 cm. omheen. Oefen nu het tireren zodanig

dat de aanvallende bal niet uit de cirkel rolt (een blijver). Start de oefening op 2 à 3 meter van de werpcirkel en vergroot vervolgens de afstand tot 8 à 9 meter en verklein ook de diameter van de cirkel. Goed tireren vraagt veel oefening zoals bijvoorbeeld 3 tot 4 keer per week.

De getrokken bal
Oefen de getrokken bal als volgt: Teken een lijn op zo'n 9 à 10 cm. voor de te tireren boule. Geef de geworpen boule een contra-effect zodat de boule terug en over de lijn rolt als hij de aan te vallen boule raakt. Het schot kan gebruikt worden als een boule achter het butje ligt. Men schiet de boule weg en rolt zelf richting het butje.

 

Tactiek

De goede spelers in het pétanque zijn niet alleen technisch bekwaam, maar zijn ook tactisch zeer goed in het spelen van pétanque.

Tijdens het spelen moet men keer op keer belangrijke beslissingen nemen. Direct na de tos moet direct de eerste tactische beslissing genomen worden: op welke baan/terrein gaan we spelen? De tweede belangrijke beslissing betreft de afstand waarop het but word uitgeworpen. Wordt er lang of kort gespeeld? Maar de belangrijkste vragen die telkens zullen terug keren in een partij zijn: moet er worden geplaatst of moet er worden geschoten?
In z'n algemeenheid kan je zeggen dat als je beginner bent of voornamelijk recreatief speelt speel het spel dan zo dat je je er lekker bij voelt en er voornamelijk veel plezier aan beleeft!

Ben je ambitieuzer dan zullen we hieronder proberen wat handreikingen te geven.

Het terrein

Als je al iets van tegenstanders weet, omdat je eerder tegen hen hebt gespeeld, houd dan rekening met de zwakheden die je vermoedt. Zoek een hard of zacht terrein uit, een glad terrein of een terrein met veel oneffenheden. Maar vergeet niet in goed overleg met je teamgenoten te bespreken waar zij de voorkeur aan geven. Je moet namelijk niet alleen kijken naar de zwakke en sterke kanten van de tegenstanders, maar ook naar die van het eigen team. Heb je een uitstekende pointeur die op een zeer lastige terrein goed plaatst, zoek dan een moeilijke terrein op. Speel je tegen een team met een heel goede tireur, ga dan op een terrein spelen waar je eigen tireur zich ook thuis voelt of verleg het accent in de richting van het plaatsen.

Vermoed je dat de tegenstander sterker is ga dan uit van het terrein waar de eigen kracht ligt!

De speelafstand

Ga bij de speelafstand in eerste instantie uit van de eigen speelsterkte. Lukt het de eigen tireur nauwelijks een boule op acht à tien meter te raken, plaats dan de but zo veel mogelijk op korte afstand. Verkeert de tireur van je eigen team in vorm, besluit dan over de optimale afstand voor de tireur te spelen.
Is de tireur van de tegenstander in vorm varieer de speelafstand dan zoveel mogelijk om de tireur uit z'n ritme te krijgen.

 

Plaatsen of schieten

De belangrijkste en meest voorkomende vraag die tijdens een partij wordt gesteld is: moet er worden geschoten of geplaatst? Deze vaak moeilijke beslissing hangt vaak van de volgende factoren af:

De spelsituatie

Voordeelsituatie
Het kan zijn dat je op punt ligt en meer boules in de hand hebt dan je tegenstanders. Men spreekt dan van een voordeelsituatie die je moet proberen uit te buiten. Bedenk geen ingewikkelde tactiek met moeilijke worpen; je vraagt dan om problemen. Bespreek met je teamgenoten welke worp de meeste kans van slagen heeft. Bouw rustig je voorsprong uit.

Nadeelsituatie
De tegenstanders ligt op punt en je wilt deze spelsituatie in je voordeel veranderen. Vaak kan dit alleen maar met een worp waar veel meer risico aan verbonden is, bijvoorbeeld door het but op te spelen, of door één of meer boules met één schot op te ruimen. Het risico is natuurlijk mede afhankelijk van het aantal boules dat jij meer of minder hebt dan je tegenstander.

De stand van de partij

Een partij zou je kunnen verdelen in een aantal fasen:

http://www.depioniers-denhaag.nl/images/site/score.png

In het begin kun je de tegenstanders observeren. Kijk hoe ze spelen, probeer de tekortkomingen van je tegenstanders te ontdekken. Let op de manier waarop ze plaatsen en schieten. Maar pas op, onderschat de tegenstander niet. Wordt nooit nonchalant. Na de beginfase wordt vaak duidelijk welke tactiek het beste kunt volgen. Bespreek het met je teamgenoten en ga, als de partij dat toelaat, tot aanval over; trek het initiatief naar je toe. Bij de punten 8 en 9 is een grote voorzichtigheid geboden. Een klein foutje geeft de tegenstanders vaak vleugels. Dus geen enkele risico nemen. Probeer liever de zwakke punten van de tegenstander uit te buiten. Al is er natuurlijk een groot verschil tussen de stand 8-1, 8-5, en 8-8. De eindfase is de beslissende fase, waarbij je er verstandig aan doet op zekerheid te spelen. Ook als je met 11 - 3 voorstaat, is het beter met één punt tevreden te zijn, in plaats van extra veel risico te nemen. Je loopt immers de kans dat de tegenstanders de werpronde wint, het heft in handen neemt en daardoor zijn zelfvertrouwen terugkrijgt.

 

De afstand waarover gespeeld wordt

De vorm waarin je bent is bepalend. Schiet je op die afstand makkelijk: schiet dan en speel aanvallend. Probeer het initiatief naar je toe te halen. Wordt er minder goed geschoten op die afstand plaats dan.

De gesteldheid van het terrein

Er zijn terreinen die bij veel spelers niet  geliefd zijn. Dit zijn meestal terreinen met veel obstakels of terreinen met een verende, leemachtige of volledig harde bodem waar het bijna alleen maar mogelijk is een boule te verwijderen door hem vol te raken. De betere tireur kan zich hier uitleven. Maar er zijn ook terreinen die uitstekend geschikt zijn om voor de boule te schieten of vlak en rollend schieten. Dit zijn over het algemeen vrij vlakke terreinen met een laagje gravel of grind of zand. Onderzoek altijd voor de aanvang van een partij de terreinomstandigheden.

Hoe sterk ben je op dat moment

Draait het team goed dan kun je meer risico nemen en aanvallend spelen door bvb een extra bal te schieten of een risicovolle bal te plaatsen. Loopt het niet lekker en mislukt er veel speel dan defensief. Plaats meer boules en als het kan voor de but. Laat de tegenstander maar moeilijke toeren uithalen om punten te halen. Mislukt dat dan kan de situatie omdraaien: jou team wordt sterker en het team van de tegenstanders gaat minder goed draaien.

De sterke en zwakke kanten van de tegenstanders

Ervan uitgaande dat je bekend bent met de kwaliteiten van je team en dat zonder meer wilt uitbuiten, is het belangrijk er achter te komen wat die kracht en de zwakte van de tegenstanders is. Kunnen ze goed plaatsen of schieten, of is het een team dat bijna nooit schiet? Als je je tegenstanders wilt laten plaatsen, probeer ze dan uit te dagen door een bâtard (bastaardpunt) te plaatsen. Dit is een geplaatste boule, zo'n 30 à 50 centimeter links of rechts van het but. De tegenstander twijfelt, of hij zal schieten en besluit maar te plaatsen. Dit ogenschijnlijk zwakke punt kan tot gevolg hebben dat je in een voordeelsituatie komt. Het is verder van belang goed op te letten wie de laatste boule(s) speelt. Is het de tireur of pointeur? Stem je tactiek daarop af.




 

 EENVOUDIGE SPELREGELS

 Jeu de boules

 Dit zijn de basisspelregels.
 De uitgebreide reglementen kunt u vinden op de NJBB.nl
 website of in  het boekje

 Internationaal Spelreglement Petanque te verkrijgen bij
 uw vereniging.

 1.Het spel wordt altijd gespeeld door twee teams.
    Een team bestaat uit één, twee of drie personen.

 Een team van één persoon, één tegen één (tête à tête),
 elke speler heeft dan drie boules.

 Een team van twee personen, twee tegen twee (doublet),
 elke speler heeft dan drie boules.

 Een team van drie personen, drie tegen drie (triplet),
 elke speler heeft dan twee boules.

 2.Spelers gebruiken stalen boules met een diameter
    tussen  70.5 en 80 mm.

 Het gewicht van de boules ligt tussen 650g en 800g.

 De but (cochonnet) is van hout gemaakt en heeft
 een diameter tussen 25 en 35 mm.

 3.Door loting wordt bepaald welk team begint.

 Eén van de spelers van dit team kiest de plaats waar
 gespeeld zal  worden.

 Op de grond wordt een cirkel getekend met een diameter
 tussen de 35 en 50 centimeter minstens één (1) meter
 van obstakels verwijderd.
 Tijdens de eerste werpronde spelen  alle spelers vanuit
 die cirkel, waarbij beide  voeten binnen de cirkel op de
 grond moeten blijven.

 4.De eerste speler gooit nu de but.
    Het moet blijven liggen op tenminste zes (6) en ten
    hoogste  tien  (10) meter van de cirkel.

 De but minstens één (1) meter
 van obstakels verwijderd liggen bij het uitwerpen.
 Obstakels zijn uitlijnen, bomen, muren, etc.
 
 Tijdens het spel geld deze regel niet.

 5.ligt de but op de goede plaats, dan gooit de
   eerste speler of een teamgenoot de eerste boule
   zo dicht mogelijk bij de but.
   Er wordt altijd onderhands gegooid.

 6.Dan is de tegenpartij aan de
   beurt om een boule dichter bij de but te krijgen.
   Daarbij is het toegestaan een boule van de tegenstander
   of de but weg te stoten of te schieten (tireren).

 Het team waarvan de boule het dichtst bij de but ligt
 heeft de leiding ( liggen).

 7.Het team dat de leiding niet heeft
   (niet ligt),  probeert steeds een boule dichter bij de but
   te krijgen.

 Daarbij mag ook de but worden weggespeeld
 om de eigen  positie te verbeteren.

 Heeft een team geen boules meer, dan mag het andere
 team met de resterende boules proberen nog meer 
 punten te scoren.

 8.Als alle boules gespeeld zijn, krijgt de winnende equipe
 net zoveel punten als het aantal boules dat beter ligt t.o.v.
 van de but dan de beste boule van de tegenpartij.

 9.Het team die een speelronde wint, werpt de
 but weer uit.
 Het team die het eerst 13 punten heeft is winnaar.

 

 Avant le point:
 Het dichts bij het but liggen, in het Nederlands ook wel
 "op punt liggen" genoemd.

 Bâtard:
 Een punt dat niet goed, maar ook niet slecht is.
 De tegenstander twijfelt of hij de boule zal wegschieten.

 Biberon:
 Boule en but liggen tegen elkaar.

 Boule:
 Stalen bal waarmee gespeeld wordt.
 Doorsnee tussen de 7 en 8 cm, gewicht tussen de 650
 en 800 gram.

 Boules-baan:
 Terrein waarop wordt gespeeld.
 Minimale afmeting 12 x 3
 meter, bij belangrijke toernooien minstens 15 x 4 meter.

 Bouledrome:
 Overdekt boules-terrein.

 But:
 Houten balletje, ook wel cochonnet ('t varkentje')
 genoemd, waar je de boules zo dicht mogelijk naartoe
 moet gooien.

 Carreau:
 De perfecte worp.
 Een boule van de tegenstander zó raken dat jouw boule
 zijn plaats inneemt.

 Faire un devant:
 'Boule devant, boule dárgent' zeggen ze in het Frans:
 'Een boule ervoor is van zilver'.
 Je kunt je boule het best vóór het but plaatsen.

 Fanny:
 De uitdrukking 'De billen van Fanny kussen' wordt
 gebruikt wanneer een equipe met 13-0 heeft verloren.
 
 Volgens een legende uit de negentiende eeuw liet de
 Franse Fanny Dubraiand uit Lyon tegen betaling haar
 billen zien aan de verliezers.

 Mène:
 Een werpronde (een partij bestaat uit een aantal
 mènes).
 
 Milieu:
 Speler die zowel kan 'plaatsen' als 'schieten'.

 Pointer:
 De boule zo dicht mogelijk naar het but laten rollen.

 Pointeur:
 Speler die zijn boules zo dicht mogelijk plaatst.

 Portée:
 De boule met een grote boog werpen.
 Een demi-portée is hetzelfde , maar dan een
 kleinere boog.

 Stries:
 Groeven in de boule.
 Hoe meer groeven, des te sneller de bal tot
 stilstand komt.

 Tirer:
 De boule van een ander wegschieten.

 Tirer 'au fer':
 Een boule in één keer op de boule van de tegenstander
 werpen.
 
 Tireur:
 Speler die de boules van de tegenstander wegschiet.

    Wedstrijdboules, afmetingen en gewicht

    Als je Petanque ( de meest gespeelde vorm van jeu
    de boules ) officieel speelt b.v. op een vereniging
    aangesloten bij de NJBB  moet je goedgekeurde boules
    hebben.

    Volgens het internationaal spelreglement moeten de
    boules:

   a) van metaal zijn,

   b) een diameter van minimaal 70,5mm en maximaal
   80mm hebben,

   c) een gewicht hebben van minstens 650 gram en
       maximaal 800 gram,

   d) Het merk van de boules en de cijfers die het gewicht 
       aangeven moeten in de boules zijn gegraveerd en
       leesbaar zijn.
       Daarnaast is er nog een nummer gegraveerd zodat
       de boules

    (voor als spelers met boules spelen met het zelfde
    uiterlijk) herkenbaar zijn.

    Een setje wedstrijd boules is duurder dan een setje
    recreatie boules, de kwaliteit is echter aanzienlijk beter.
    
    Voor die genen die van plan zijn om wedstrijd boules
    aan te gaan schaffen raad ik aan om contact op
    te nemen met een bij de Nationale Jeu de Boules Bond
    aangesloten vereniging.
    
    De mensen daar kunnen je adviseren en vaak bestaat
    de mogelijkheid om ballen uit te proberen.
    Winkelpersoneel is vaak ondeskundig als het om boules
    gaat!!

 

  Merk boules zijn o.a. Obut, Jean Blanc, Okaro, VMS,
  La boule noire
en La boule bleue

  De boule moet goed in je hand passen: ongeveer
  half erin en half erbuiten; de boule moet volledig
  omsloten worden door twee handen, duim tegen
  de wijsvinger.

  Beginners moeten zeker geen extreme maten nemen;

  de maten van een tussenpersoon (milieu) zijn dan het
  meest geschikt: 710 of 720 gram, 1 of 2 groeven,
  73 of 74 mm, 125 kg/mm2.

  Pointeur (plaatser)

  Bal om te plaatsen (over de grond):

  zwaar: minder last van obstakels (720 gram)

  gegroefd: beter grip op grond (groeven)

  klein: moeilijk te raken

  hard: slijten minder (125 kg/mm2)

  Tireur (schutter)

  Bal om te schieten (door de lucht):

  licht: makkelijk te gooien (700 gram)

  Glad:
  minder luchtweerstand en wervelingen (0 groeven)

  Groot: meer kans om te raken zacht: beter
  schokabsorberend, blijft liggen (
110 kg/mm2)